Schrijversblok

Het weblog van Harry Hol

Veel te veel keus

Written By: Harry Hol - Feb• 16•17

Ik zit in de kroeg met een aantal voornamelijk jonge mensen. Voor de grap oppert iemand “Het is zo gezellig, zullen we het over politiek hebben?”.
En dat lijkt me een geweldig idee. Want als ik denk aan gezelligheid, denk ik aan politiek.
Na een of twee ongemakkelijke grappen over die en die politicus, wordt een van de aanwezigen opeens heel serieus. Het is een jonge man, twintiger, en (echt waar) een hele aardige gozer.

“Ja ik ga dus écht niet stemmen,” zegt hij. “Ik pieker er niet over. Ik vind dat zo’n onzin! Er is gewoon veel te veel keus!”

Ik staar hem aan en wacht op de punchline. Maar hij gaat verder.
“In Amerika kun je gewoon uit twee dingen kiezen. Dan is er wat te kiezen. Ik heb echt geen zin om al die partijprogramma’s te lezen. En het maakt toch niet uit.”

Een jonge vrouw bij ons aan tafel kijkt net zo geschokt als ik. “Dan kun je toch de kieswijzer doen?”
“Ja hallo!” roept hij, nu op stoom, “ik wil zelf beslissen, ik ga zo’n site niet voor me laten denken…”
Ik merk dat mijn mond al enkele seconden open hangt en dat ik hem met opengesperde ogen verbijsterd aanstaar.
“Maar met die kieswijzer heb je in elk geval een idee wat er bij je…” probeert de jonge vrouw.
“Nee. Nee. nee. Ik vind het gewoon onzin. Ik ga niet stemmen.”

“Maar,” zeg ik, “je kiest in Nederland een partij die het beste bij je past, zodat jouw denkbeelden en gevoelens vertegenwoordigd zijn.”
“Maar dan heb je toch nergens invloed op!” zegt hij. “Dan weet je toch niet wat er uiteindelijk besloten wordt!”
Mijn poging om uit te leggen dat dit twee verschillende dingen zijn, en dat je alleen geen invloed hebt als je niet stemt, verdrinkt in een koppig nee-schudden en een toegenomen ongemakkelijkheid aan tafel.

Er is ook geen ingang. Er is hier een beslissing genomen waar niemand iets aan kan veranderen. Het is nu eenmaal zo.
Het gespreksonderwerp verandert al snel in iets minder ongemakkelijks (sex, drugs en Patricia Paay) en het blijft gezellig.
Toch blijft het bij me hangen: het gevoel dat er mensen zijn die er echt van overtuigd zijn dat stemmen geen zin heeft. Dat het te moeilijk is. Dat verkiezingsbeloften toch niks betekenen.
Het probleem is, dat het inderdaad ingewikkeld is. Dat we inderdaad nooit helemaal onze zin krijgen na de verkiezingen. Dat partijen uiteindelijk allemaal compromissen moeten sluiten om dingen gedaan te krijgen.

Het is ook moeilijk om dat te bevatten. Moeilijker nog, is te accepteren dat we beter af zijn als iedereen een beetje zijn zin krijgt, in plaats van één groep helemáál zijn zin.

Nederland is als een groepje collega’s die samen een restaurant moeten uitzoeken. Dan kies je samen de plek waar de meeste mensen iets lekkers kunnen eten. Dan laat je niet de hele groep domineren door ofwel de McDonalds-factie ofwel de veganisten.

Want dat is wat er gebeurt als je twee partijen hebt. Alles of niks. Dan is ‘een beetje’ toch beter, vind ik.

De swaffeldemocratie

Written By: Harry Hol - Dec• 07•16

Ik wil even met je terug naar 2008. Dat was het jaar dat een scholier zijn piemel uit zijn broek haalde en daarmee tegen de Taj Mahal sloeg. Nou ja, sloeg, ik neem aan dat het een zacht tikje was. Anders zou het filmpje wat hij er van online plaatste misschien niet zo vrolijk aflopen. In plaats van bloed en een bezoek aan de eerste hulp riep de scholier trots uit dat dit de eerste keer was dat de Taj Mahal ‘geswaffeld’ werd.

Voor het grootste deel van Nederland ging deze gedenkwaardige gebeurtenis ongemerkt voorbij. Pas toen GeenStijl zich er mee ging bemoeien, werd het landelijk nieuws. GeenStijl zette namelijk zijn enorme achterban (=baldadige lezers) in om de verkiezing van het Woord van het Jaar te ontsporen. Het weblog riep iedereen op om op ‘Swaffelen’ te stemmen, een oproep waar verveelde jonge internetters graag gehoor aan gaven. Swaffelen werd inderdaad Woord van het Jaar 2008.

Inmiddels zijn we acht jaar verder, en heeft GeenStijl een politieke partij opgericht: GeenPeil. Het belangrijkste punt in hun verkiezingsprogramma: “we hebben geen verkiezingsprogramma”. In plaats daarvan belooft GeenPeil om de leden van de partij via internetpeilingen te laten beslissen hoe de gekozen GeenPeil kamerleden moeten stemmen en wat voor moties ze moeten indienen. GeenPeil-lijsttrekker Jan Dijkgraaf belooft zelfs plechtig dat hij zijn eigen principes en mening thuis laat. Wat ‘het volk’ wil, gebeurt. Dat is pas democratie!

Het zou zomaar kunnen dat Dijkgraaf in de Kamer komt. Er zijn genoeg verveelde jonge GeenStijllezers die nu wél naar het stemhokje gaan en na hard YOLO roepen op Dijkgraaf stemmen. Waarna de er op volgende regeerperiode opeens élke ingeving van een paar anonieme reaguurders in de Kamer besproken moet worden. Mannequin-challenge op het Binnenhof? Dat wordt een motie. Alle vluchtelingen deporteren naar Texel? Motie. Tien procent van de belastinginkomsten verplicht besteden aan advertenties op GeenStijl? Motie. Geen gezeik, iedereen rijk? Motie.

Ik kan me geen treffender beeld voorstellen dan een jonge jongen die met zijn pik tegen een oud instituut slaat. Als GeenPeil in de kamer komt, is dat de eerste keer dat de democratie geswaffeld wordt.

Het probleem met het woord ‘Racisme’

Written By: Harry Hol - Oct• 25•16

Racisme is heel erg. Daar is iedereen het wel zo’n beetje over eens. Heel erg. Een racist is een heel slecht iemand. Heel slecht. Ook daar is iedereen het wel zo’n beetje over eens. Dat is er bij ons ingebrand. Alles wat racistisch is, is slecht. Heel slecht. Niemand vindt zichzelf dus racist.

In tegendeel. Dat is een label wat niemand opgeplakt wil krijgen. Want racisme is ‘heel slecht’. Ga maar eens naar een willekeurige verjaardag en wacht tot er een paar pilsjes zijn weggewerkt. Luister goed. Binnen niet al te lange tijd is er al iemand die verklaart zeker geen racist te zijn.

“Ik ben geen racist, maar…”

Waarna er meestal iets uit komt over vluchtelingen of andere ‘vreemden’ waar iets mee is. Maar dat is zeker niet racistisch, want “ik ben geen racist”. Racisme is heel slecht. Racisten zijn slechte mensen. Ik ben geen slecht mens, en dús geen racist.

Deze redenatie is het gevolg van het feit dat mensen niet meer nadenken over wat racisme nu eigenlijk wél is.

Van Dale:

ra·cis·me (het; o)

theorie die de superioriteit van een bep. ras verkondigt

discriminatie op grond van iemands ras

“Ik ben geen racist maar ik vind niet dat die buitenlanders hier onze banen mogen afpakken”

De spreker vindt dat geen racisme omdat hij of zij denkt ‘racisme is slecht en ik ben niet slecht dus ik ben geen racist’.

Terwijl racisme een eenvoudig te definiëren activiteit is. Behandel je een bepaalde groep anders vanwege ras, dan is dat racisme. Dit is geen quantummechanica. Dit is heel makkelijk vast te stellen.

Als de politie iemand verdenkt van crimineel gedrag enkel vanwege de huidskleur, dan is dat racisme, om maar een voorbeeld te noemen.

Maar omdat het gevoel en het waardeoordeel ‘racisme is slecht’ zo allesoverheersend is, is er geen discussie meer mogelijk. Het woord is zo groot en zo zwaar en zo negatief, dat niemand zich daar in herkent. Wie ‘racistisch’ genoemd wordt, wordt gevoelsmatig gelijkgesteld met nazi’s. Die reactie en die emotie maakt het onmogelijk om nog te praten over wat er daadwerkelijk gebeurt.

Het is echter heel simpel. Als je iemand anders behandelt vanwege zijn of haar ras, dan handel je racistisch.

Nu zou het zomaar kunnen zijn dat je er oprecht van overtuigd bent dat je mensen met een andere huidskleur anders mag behandelen. Want daar heb je allerlei redenen voor. Dat verandert echter niets aan het feit dat je racistisch handelt. 

Wie racisme echt slecht vindt, probeert zo min mogelijk racistisch te zijn. Opnieuw: dit is geen quantummechanica.

Als je er echter achter komt dat je werkelijk gelooft dat bepaalde groepen anders behandeld mogen worden enkel vanwege hun afkomst, dan ben je inderdaad racist. Welk waardeoordeel je daar verder aan geeft, is aan jou.

Andere definitie

Van Dale:

voet·bal·ler (de; m,v; meervoud: voetballers)

iem. die voetbalt

“Ik ben geen voetballer, maar ik sta wel elk weekend op een grasveld met 21 anderen terwijl ik de spelregels van voetbal volg en probeer een bal in het doel van de tegenstander te trappen”

 

Het brute gevaar van de Boswachters

Written By: Harry Hol - Sep• 12•16

De politie heeft een massale vechtpartij voorkomen, lees ik op NOS.nl. Het gaat om twee groepen fans van twee ‘beroemde rappers’. Ik lees verder, want ik ben benieuwd of dit zich in de New Yorkse wijk Harlem afspeelt, of East-L.A.? Misschien de ‘mean streets of Detroit’?

Maar nee.

Tilburg Noord.

Niet eens Tilburg Centrum. Tilburg-Noord.

Want dat is waar één van de rappers woont. En dat is waar opeens meer dan honderd mensen met stokken door de straten lopen omdat rapper Boef iets heeft gezegd over de moeder van rapper Para Soma. Dat neem ik tenminste aan.

Ik weet niets over rapper Boef of rapper Para Soma. Ik weet niet wat de oorsprong is van hun diepe conflict of waarom mensen die toevallig de muziek van beide artiesten leuk vinden, zich geroepen voelen om dit conflict voor deze rappers uit te vechten.

Ik blijf maar hangen bij Tilburg-Noord.

Ik ben namelijk heel benieuwd wat er dan door het hoofd gaat van een van die relschoppers, die zich heeft laten opzwepen door twee rappers op Twitter, en nu denkt dat hij een belangrijke rol speelt in een epische titanenstrijd tussen twee street-smart gangstas, maar tegelijk toch niet om het feit heen kan dat hij nu door Tilburg-Noord loopt.

Nu zou de oplettende lezer kunnen zeggen: “Maar Harry! Jij woont in Kampen! Dat is toch ook niet echt een metropool! Wie ben jij om te doen of Tilburg-Noord niets voorstelt!”

En daar heb je op zich een punt, fictieve oplettende lezer. Kampen heeft inderdaad niet direct de uitstraling van New York of Londen. En nee, we hebben hier ook geen vechtpartijen tussen fanatieke fans van scheldende rappers.

Vooral niet omdat het fysiek onmogelijk is om een rapper te zijn uit Kampen. Kampen leent zich niet voor rap. De succesvolste muzikale artiesten uit Kampen zijn ‘De Boswachters’ (van hun tijdloze cover ‘Ja ik heb geen bananen’) en ‘Stef Ekkel’ (van zijn hit… eh… wacht even, laat me Wikipedia even er bij pakken… ‘Waarheen waarvoor’? Serieus? Nou ja, dat is zijn grootste hit).

Nu zou ik er op zich geld voor over hebben om de fans van Stef en die van de Boswachters met elkaar op de vuist te zien gaan. Want Ekkel heeft ‘beef’ met de Boswachters, die bij hoog en bij laag volhouden dat Ekkel iets met bananen doet waardoor ze functioneel oneetbaar worden.
Ekkel voert zijn leger fans aan met het de strijdkreet ‘Waarheen?’ (de massa antwoordt: “naar de Boswachters!”) ‘Waarvoor?’ (de massa antwoordt: “Voordat de bananen op zijn!”)

En terwijl deze titanenstrijd losbrandt, realiseren de fans zich dat ze hun vechtpartij uitvoeren in Kampen-Zuid. En ze beseffen dat er inderdaad geen andere plek in de wereld is waar dit zou kunnen. Een van hen, die net een banaan door de strot van een van de Boswachters duwt, glimlacht terwijl hij tevreden om zich heen kijkt. Goddank zijn we niet in Tilburg-Noord.

Ligt aan dat ding

Written By: Harry Hol - Aug• 30•16

Ik ben in het zwembad met mijn neefje en twee nichtjes. In het bad ligt een grote opblaasbare stormbaan waar kinderen over kunnen klauteren en vanaf springen. De top ligt zo’n twee meter boven het wateroppervlak. Ik besluit dat ik de stormbaan vanuit het water wil beklimmen en vind een aantal handgrepen waaraan ik me op probeer te trekken. Een paar grepen lukt wel, maar al snel voel ik de kracht uit mijn armen wegvloeien en val ik.

Vlakbij watertrappelt een man van mijn leeftijd, in de veertig, en hij knikt me toe.
“Probeerde ik ook net. Lukt niet,” zegt hij.

Hij zwemt naar het toestel om het te laten zien. Net als ik grijpt hij de handgrepen en probeert zijn been zo hoog te krijgen dat hij ergens grip krijgt. Het ziet er weinig elegant uit voor ook hij met een klots weer terugvalt in het water. Maar ik snap wat hij bedoelt. Ik heb vroeger aan rotsklimmen gedaan. Dit moet ik dus kunnen. En ik grijp de handgrepen en probeer ook mijn been uit het water te tillen. Ik hoor gniffelen vanaf de kant. Ik zie hoe een groepje kinderen van tien, elf jaar oud ons geamuseerd gadeslaan.
Het lukt me bijna een been over de rand van het opblaas gevaarte te krijgen, maar ik glij zonder enige vorm van elegantie terug in het water.

De andere veertiger knikt. “Kan niet, hè?” zegt hij.
“Kan niet,” zeg ik.
“Ligt aan dat ding,” zegt hij.
“En aan het water,” zeg ik.

Mijn neefje en nichtje duiken vlak naast me op uit de diepte. Ze hebben het voorgaande niet meegekregen, ze waren te druk bezig met hun duikbril.
“Oh cool,” zegt mijn neefje als hij het grote opblaasding ziet. Hij pakt de handgrepen en is in een aantal seconden op de top.
“Kom je ook?” roept hij naar mijn nichtje van dertien. Ook zij staat voor ik weet boven.

Ik zwem weg. De andere veertiger zwemt naast me. We kijken elkaar aan met een blik van diep besef.

“Ligt aan dat ding,” zeg ik.
“Ja, ligt aan dat ding,” zegt de ander.
“En aan het water,” zeg ik.
“En aan het water,” zegt de ander.