Schrijversblok

Ik verzin dit niet
Subscribe

Het schrijfproces

February 01, 2010 By: Harry Category: Column

Reading time: 2 – 3 minutes

Sommige artikelen vliegen uit mijn vingers alsof ze er altijd al waren. Ik hoef er niet over na te denken, de woorden komen wel. De afgelopen week snakte ik naar zo’n artikel, in plaats van het verhaal dat ik moest schrijven.

Als ik in zo’n ‘verstopte periode’ zit, lijkt alles in de wereld leuker dan het schrijven van het verhaal. Mijn vriendin rook dan ook onmiddellijk lont, toen ik haar vrijwillig aanbood om het gootsteenputje schoon te maken. Dit is geen natuurlijk gedrag voor mij.

Ook leek het met uitermate belangrijk om mijn spelcomputers af te stoffen. Een mooi ding hoor, die PS3, maar wat een vuilmagneet. Ik kan dan ook niet anders dan daar eerst een doekje overheen halen. Ik kan toch niet gaan schrijven met een stoffige spelcomputer in de buurt?

Toch is dat wel een voordeel van schrijversblok. Mijn werkkamer, die er uit begon te zien als een rampgebied waar plunderaars met de ziekte van Parkingson doorheen waren geraasd, ziet er nu weer uit alsof de plunderaars nog niet zijn geweest.

Ondertussen vorderde het artikel wel, met het tempo van een gletsjer die nog niet echt op snelheid was. In die toestand van traag schrijven ontstaat als vanzelf een tweede obstakel: mijn innerlijke rechter. Dat is erger dan een innerlijke criticus. Een criticus kan je negeren. Een rechter veroordeelt je tot herschrijven tot het wel degelijk voldoet aan mijn eigen onmogelijke criteria.

Zo is iedere zin een proces, waarin ik mezelf aan mijn innerlijke rechter moet verantwoorden waarom ik dit stuk in de tegenwoordige tijd schrijf en dat ander stuk schreef in verleden tijd.

Als ik me in die toestand bevindt, voelt het meer en meer of ik daadwerkelijk verstopt zit. Alsof ik zwanger ben van het verhaal, en al ver voorbij de uitgerekende bevallingsdatum ben. En al die tijd word ik er steeds meer van overtuigd dat het deze keer niet gaat lukken.

Het is uiteindelijk gelukt, uiteraard. Het lukt altijd. Op het moment dat ik in mijn mailprogramma op ‘verzenden’ druk is er dan een van pure extase. Een betere beloning is dan niet mogelijk.

Twiedel twiedel twiedel twiet

February 26, 2009 By: Harry Category: Column

Reading time: 3 – 4 minutes

Op het moment dat ik er achter kwam dat ik mijn mobieltje in de auto had laten liggen sloeg de schrik om mijn hart. Niet omdat mijn auto op een achteraf plek stond, vlak bij een VMBO school waar ‘autokraak’ een hoofdvak was. Ook niet omdat ik heel belangrijke lucratieve telefoontjes mis zou lopen. Nee. Het probleem: ik kon niet Twitteren.

Hoewel ik mijn eerste Tweet al in mei 2007 verstuurde, kon Twitter me in eerste instantie niet zo boeien. Ik zag eigenlijk niet in wat de lol er van was om ieder moment van de dag te laten weten wat ik aan het doen was. Laat staat dat het me kon schelen wat anderen in maximaal 140 tekens de wereld in stuurden.

Vooral omdat wat ik aan het doen was op het moment dat ik toegang had tot Twitter, meestal was: ‘Ik zit achter de PC’. En hoewel ik in mijn geheimste dromen uiteraard hoop dat er mensen zijn die mijn artikelen en columns lezen, leek het met zelfs van die fictieve fans te veel gevraagd om zich daarin te interesseren.

Dit alles veranderde op het moment dat ik via mijn iPod Touch Twitterific ontdekte. Niet dat ik daardoor opeens dacht dat iedereen nu wel zou willen weten wanneer ik op de bank naar NCIS zat te kijken. Nee, maar via Twitterific bleek het ontzettend leuk om anderen te volgens. Opeens spoelden tientallen fragmenten dagelijks leven als kleine boodschappen in flessen aan, op het schermpje van mijn iPod.

Twitteraars bleken niet alleen hun dagelijkse beslommeringen door te seinen, maar in het bestek van 140 tekens vervolgverhalen op te bouwen, bestaande uit associaties, vreemde invallen, flauwe grapjes, in combinatie met wat ze net op dat moment zien of doen. Dat daar nog steeds regelmatig tweets tussen zaten met ‘Ik zit achter de PC’ nam ik maar op de koop toe.

Terwijl ik die eindeloze stroom ongerichte associaties aan me voorbij zag trekken kwam die drang. Ik wilde hier aan bijdragen.

Mijn iPod bleek niet toereikend. Het is nu eenmaal geen iPhone, dus buiten het bereik van WiFi points is het apparaat eigenlijk gecastreerd. Ik moest en moet nu mijn heil zoeken bij mijn Samsung mobieltje via GPRS.

Een mobieltje dat nog in mijn auto lag. (Zie je wel, er zit lijn in dit verhaal).

En terwijl ik bij de koffieautomaat van het kantoor stond te wachten tot de cafe creme klaar was, merkte ik dat ik onrustig was. Onrust die niet het gevolg was van het feit dat dit al de vierde cafe creme binnen een uur was. Ik voelde me haast blind. Afgesneden. Wat was er gaande in de wereld? Waar was iedereen? Wie kwamen ze tegen en welke links stuurden ze door? En bovendien: wat moest ik met al mijn eigen potentieel briljante associatieve invallen? In mijn ideeenboekje schrijven? Dat is zooo 2008.

Maar ook bekroop me de angst dat ik langzaam maar zeker verknoopt begin te raken met het Net. Alsof die Grote Samenzwering (die ook verantwoordelijk is voor de moord op Kenedy, het vervalsen van de maanlanding en het succes van Frans Bauer) mij en mijn mede-geeks langzaam maar zekere permanent wil aansluiten. Zodat wij, op het moment dat Google komt met de BrainPhone (rechstreeks aangesloten op de prefrontale cortex) met slaapzakken voor de deur van de implant-kliniek gaan liggen.

Nog angstaanjagender. Terwijl ik dit schrijf besef ik: ik wil een BrainPhone.

P.S.: Mijn Twitter feed is hier

Schrijversblok

August 29, 2006 By: Harry Category: Column

Reading time: 3 – 4 minutes

“Ik weet niets van moorden!”
Hij keek doodongelukkig. Hij zat gebogen over zijn halflege doodgeslagen biertje.
“Ik heb nog nooit iemand dood gewenst. Ik haat niemand. Niemand heeft ooit een pistool op mijn hoofd gezet. Nou niet echt in elk geval. Dat is een verdomd grote handicap voor een schrijver.”
Ik knikte en dronk mijn glas leeg waarna ik een nieuwe bestelde voor ons allebei. Een vriend van mij zat in de put. Al weken was er niets zinnigs uit zijn pen gekomen. Zijn uitgever had hem een voorschot gegeven voor een tweede roman, maar het enige wat hij nog kon was staren naar een leeg scherm. Hij zat muurvast. Schrijversblok, zei hij. Vandaar dat we nu in de kroeg zaten, hard op weg naar een toestand van dronkenschap.
“Schrijf over wat je weet,” stelde ik voor.
“Schrijf over wat je weet! Fuck! Ik weet niets! En wat ik weet is dodelijk vervelend. Niemand wil dat lezen! Ik zelf al niet eens.”
“Je hebt toch wel wat meegemaakt?”
“Ja natuurlijk. Opstaan. Werken. Thuis komen. Vriendin zoenen. TV kijken. Slapen. Opstaan. Twee keer in de week neuken. Donderdag en zaterdag. Soms ook op zondag. Dat is geen boek, dat is een slaapmiddel.”
“Maar je bent journalist! Dan zie je toch veel?”
“Ha!”
“Niet?”
“Ha! Ha ha! En ik bedoel dat zo sarcastisch als maar mogelijk is.”
Ik keek hem verongelijkt aan.
“Weet je wat ik allemaal zie? Baasjes van bedrijfjes die produktjes willen verkopen. Mensjes in straatjes die over hun buurtjes klagen. Je weet dat ik laatst een primeur had met een vervalsingsschandaal?”
“Ja,” zei ik enthousiast. “Daar moest wel een verhaal in zitten.”
“Heb je enig idee hoe makkelijk dat was? Ik kreeg een tip. Ik belde wat mensen. Boem! Iedereen vertelde me wat ik weten wilde. Geen intrige. Geen auto achtervolgingen. Niet eens een steen door de ruit met een dreigbrief eraan. Dat zuigt! Alles wat je op TV ziet is bullshit. Er is geen spanning of romantiek. Breek me ook de bek niet open over de politiek. Er zijn alleen maar heel veel mensen die zichzelf graag horen praten en daardoor te vaak iets stoms zeggen. Dan roept iedereen even heel hard ‘Ooooh!’ waarop de volgende leperd zich weer verspreekt. Kom op jongens! We moeten daar ook nog even heel hard ‘Ooooh!’ roepen! Wat moet ik daar nou mee?”
“Je hebt toch altijd de liefde?”
“Ha!”
“Geen liefde?”
“Alsjeblieft.
“Hoezo niet?”
“Okee. Ik heb liefdesverdriet gehad, maar wie niet? Goed, ik heb me een keer in een kast moeten verstoppen voor een boos ex-vriendje van mijn toenmalige verovering. Maar dat gelooft toch geen hond? Het enige triootje dat ik heb meegemaakt is nauwelijks een bladzijde tekst waard.”
“Jij hebt een triootje gedaan?”
“Hell, ja. Maar wat moet ik daar nou mee? Wie wil dat lezen? Het is net als die vervalsingzaak, of die keer dat ik die striptease danseres in haar kleedkamer interviewde of die keer dat die gozer voor mijn ogen dat pistool trok. De werkelijkheid is ongelooflijk saai. Ik moet een boek schrijven, verdomme.”
“Kleedkamer?”
“Ja ze was zich aan het omkleden voor haar act. Leuk mens trouwens.”
“Leuk…mens…” zei ik. Ik overwoog om mijn vriend te spietsen aan een cocktail prikkertje.
“Dat noem jij leuk? Triotjes! Vervalsingen! Strippers! En jij hebt schrijversblok?”
“Eén trio maar, hoor. Tijdens mijn studie. Toen ik op de theaterschool zat.”
Ik dronk mijn glas leeg en stond op.
“Wat is er?”
“Eikel,” zei ik en liep de kroeg uit.

Tags:

Theme Tweaker by Unreal