Schrijversblok

Ik verzin dit niet
Subscribe

Hoe ik verlichting vond in de Ikea

December 15, 2009 By: Harry Category: Column

Reading time: 3 – 5 minutes

Met een groot gevoel van opluchting rijd ik in de richting van Amersfoort. Want tot mijn grote vreugde weet ik wat ik voor cadeau ik voor mijn vriendin ga kopen. Dit is belangrijk. Mijn vriendin is notoir moeilijk om een kerstgeschenk voor te vinden. Vergeleken daarbij is het zoeken naar de Higgs boson een makkie: het enige wat ze daar voor nodig hebben is een deeltjesversneller van een paar miljard.

Het is om die reden dat ik daadwerkelijk vrolijk naar de Ikea rijd. Mijn vriendin had namelijk aan mij verteld wat ze wilde: een bepaald type lamp. Joechei!

Vanaf de snelweg zie ik Ikea. Even twijfel ik over de afslag. Dat had ik beter niet kunnen doen, want plots is het duidelijk dat ik wel degelijk Amersfoort Noord had moeten nemen. Dan maar bij de volgende er af. Borden wijzen richting industrieterrein. Hoe moeilijk kan dit zijn? Ik zet mijn iPhone aan als navigatie, en deze leidt mij feilloos een doodlopende straat in.

Vragen dan maar. Vrouw met hond stuurt me de snelweg weer op. Helaas de verkeerde kant op, maar dat geeft niet. Jammer alleen dat ik pas 10 kilometer verderop kan keren. Ik accepteer dit. Ik ben een man met een missie. En die missie is jouw lamp.

Volgende afslag, keren, en deze keer wel de juiste afrit. Auto parkeren, uitstappen en de trap op.

Ik kom dus op de eerste verdieping van de Ikea aan. Dit is belangrijk. Mijn auto staat op de begane grond, ik ging een trap op, en dus is dat de eerste verdieping. Hier hangen twee grote blauwe plattegronden aan de muur. De linker toont de ‘begane grond’. De rechter de ‘eerste verdieping’. Op geen enkele plategrond staat ‘u bevindt zich hier’.

Van links naar rechts kijk ik. En om me heen. Daar is de voedsel afdeling die Zweedse hapjes verkoopt. De Zweedse hapjes staan niet op de kaart. Lampen wel. Die zijn op de begane grond. Maar daar staat mijn auto.

Het is interessant om vast te stellen wanneer het menselijk brein het opgeeft. Bij mij is dat precies het moment dat ik tegen de plattegronden begin te roepen:

“Waar zijn de lampen? Waar ben ik? Waarom staat nergens waar ik ben?”

Niemand geeft antwoord. Het kleine stukje ratio in mijn brein dat nog functioneert stelt vast dat de andere mensen om me heen niet reageren. Ze schrikken niet eens.

Ik zie een vrouw op de voedselafdeling die Zweedse peperkoek huisjes in een Zweedse stelling stapelt. Ze heeft een Ikea uniform. De nu volgende dialoog is geen kleurrijke overdrijving:

“Waar ben ik?” vraag ik haar, met een panische trilling in mijn stem.
“U bent bij de uitgang,” zegt ze verbaasd.
“U helpt me hier niet mee,” zeg ik.
“Waar wilt u dan zijn?” vraagt ze.
“Ik zoek de verlichting,” zeg ik, terwijl ik probeer niet te roepen.
“Dan moet u naar de begane grond,” zegt ze.
“Dat weet ik! Waar is dat!?”
“Dan moet u de trap op.”
“Maar dat is de tweede verdieping.”
“Nee dat is de eerste verdieping. Dit is de begane grond.”
“Waarom moet ik dan de trap op?”
“U moet gewoon de trap op en de borden volgen naar het restaurant op de eerste verdieping…”
“…die op de tweede verdieping is…”
“Nee dat is nog steeds de eerste verdieping. Van daar neemt u de trap naar beneden naar de begane grond.”
“Wat hier is?”
“Nee dit is de uitgang… De verlichting is op de begane grond. Die bereikt u via de eerste verdieping, waarvoor u de trap op moet en dan weer af.”

Ze lijkt verbijsterd dat ik dit zo ingewikkeld vind. Ik besluit maar niet meer te protesteren. Niemand heeft ooit verlichting gevonden door een metafysisch debat te voeren met een Ikea medewerkster. Ik ga dus naar boven, volg de borden, daal de trap af en bevind me op de begane grond. Die overduidelijk echt op de eerste verdieping is. En vind De Lamp. Het Cadeau.

Verlichting.

Ecosysteem

March 03, 2009 By: Harry Category: Column

Reading time: 2 – 3 minutes

Mijn vriendin is vegetariër en erg pro-eco. Zelf ben ik van huis uit meer een ‘woensdag gehaktdag’ type, gecombineerd met ‘lopen doe je van en naar de auto’. Je zou denken dat dit relationeel gezien misschien niet de beste combinatie is, maar al ruim acht jaar gaat dat prima.

Uiteraard blijven er grensgeschillen bestaan.

Als ik ’s ochtends de gekookte worst in plakjes snijd voor mijn lunchpakketje, resulteert dit onvermijdelijk in (dramatisch aangezette) blikken van afschuw. Mijn verdediging, dat haar biologische notenpasta er in mijn ogen uitziet als iets wat de bouvier van de buren heeft achtergelaten, houd ik wijselijk voor me. Zo vermijd ik een discussie over dierenleed, en als de boterham in het zakje zit kunnen we weer verder met een gezellig ochtend. Het is een delicaat evenwicht. Een gezond ecosysteem, zeg maar.

Natuurlijk heb ik in de loop der jaren wel wat water in de wijn gedaan. Probleem is namelijk dat ik diep in mijn hart eigenlijk vind dat ze gelijk heeft. Er is geen ontkomen aan: biologische boeren belasten het milieu echt minder. En het is natuurlijk beter om iets te kopen wat met minder dierenleed tot stand is gekomen. Bovendien is ieder product waarmee ik geen (iedere week iets dramatischer aangezette) blikken van afschuw mee over me afroep, die extra prijs wel waard. Ik wil dus heus wel.

Maar al die goede voornemens (al dan niet onder lichte relationele druk) worden niet echt geholpen door onze plaatselijke supermarkt. Want hoewel ik, bijvoorbeeld, achtenzestig soorten wijn in het schap zie staan, is er daarvan maar één ‘eco’. Broodbeleg? Pindakaas van rotsachtig tot glijmiddel. Aantal eco? Eén. Groente. Soep. Kaas. Steeds slechts één [lelijk woord] eco! Alsof ‘eco’ een smaak op zich is.

Dus met ecologische (en kritiekblikkenvrije) boodschappen veroordeel ik mezelf tot het hebben van geen keus. Dus koop ik zo veel mogelijk biologisch. Ik houd namelijk van mijn vriendin. En dus is er geen keus.

[Dit was mijn inzending voor de nrc.next column wedstrijd over duurzaam leven. Ik werd derde!]

Stomerij

March 26, 2007 By: Harry Category: Column

Reading time: 2 – 4 minutes

Ik stond dinsdag in de rij van de kassa in de supermarkt. Toevallig de kassa die ook dienst doet als loket voor de stomerij. Voor me was een wat oudere heer die zonder boodschappen op zijn beurt wachtte. In zijn hand had hij een bonnetje.
‘Aha,’ dacht ik. ‘Een klant voor de stomerij.’
Niets ontgaat mij. Net zoals het hierna volgende, waargebeurde gesprek tussen de oudere heer en het piepjonge kassameisje.

‘Ik kom mijn jas halen.’
‘Maar het is nog geen drie uur!’ zei het meisje oprecht verschrikt.
‘Inderdaad, het is tien voor drie,’ zei de man.
‘Kleren van de stomerij zijn pas om drie uur klaar. Kunt u straks niet terugkomen?’
‘Ik dacht dat het wel zou kunnen dat hij er al is,’ zei de man. ‘Kunt u niet even kijken?’

Een korte pauze.

‘Eh, nee. Dat heeft geen zin.’
Ik keek van het meisje naar de oudere heer naar het rek met kleren, dat een meter achter haar tegen de muur stond. De oudere heer was even sprakeloos. Toch hernam hij zich moedig.

‘Jawel,’ zei hij.

De man steeg in mijn achting. Soms moet je koppigheid niet met argumenten bestrijden maar met een welluidend ‘Welles!’.

‘Meneer, dat heeft geen zin, de kleren zijn pas om drie uur klaar. Dat staat op het bonnetje.’
‘Dat weet ik, daarom kom ik ook nu,’ zei de man, die van sprakeloosheid via stelligheid nu richting irritatie bewoog. ‘Je kunt toch wel even kijken? Volgens mij zie ik hem zelfs hangen.’
‘Meneer, ik ga de volgende klant helpen,’ zei het meisje pinnig. Demonstratief haalde ze mijn netje ongeschilde spruitjes door de scanner. De oudere heer liep nu ietwat rood aan. Als hij een wandelstok had gehad, had hij daar beslist nu mee gezwaaid.
‘Ik wil nu de chef spreken!’ riep hij.
Het meisje beet op haar lip en keek nadrukkelijk alleen naar mijn boodschappen die een voor een voorbij gelden. Misschien hoopte ze, dat door het stellig te wensen, de man in een pak melk zou veranderen. Of een pak met twee vegetarische hamburgers. Of iets anders wat niet zo onredelijke Vóór Drie Uur Een Jas Wilde Ophalen.
De chef verscheen, herkenbaar aan een naamplaatje en een pluk zwart haar dat over een glanzende kale plek was gekamd.
‘Deze juffrouw wil mij mijn jas niet geven!’ zei de oudere heer.
‘Waarom niet, Muriel?’ zei de man.
‘Het is nog geen drie uur,’ zei Muriel met een klein maar oh zo standvastig stemmetje.
‘Kijk toch maar even,’ zei de chef.
En inderdaad, een plastic zak met een (hopelijk) proper jasje ging met de oudere heer de winkel uit. Ook de chef nam weer post in zijn kantoortje. Het meisje sloeg mijn laatste boodschappen aan.
‘Wat een eikel. Logisch dat het er nu wel was,’ mopperde het meisje onder haar adem.
‘Waarom dat?’ vroeg ik terwijl ik mijn pinpas door het apparaat haalde.
‘Door al dat gezeur is het nu vijf over drie.’


Theme Tweaker by Unreal