Schrijversblok

Ik verzin dit niet
Subscribe

Voorlopig onsterfelijk

June 10, 2010 By: Harry Category: Column

Reading time: 2 – 4 minutes

Ik rij over de N50 richting Zwolle. Ik wil afslaan maar er vormt zich een file. Auto’s staan al voorgesorteerd op de vluchtstrook. Ik ga langzamer rijden om te kijken of er een manier is om er veilig tussen te komen. In de spiegel zie ik de vrachtwagen. Ik geef gas.

Het volgende moment word ik wakker. Ik verbaas me dat het zo licht is in de slaapkamer.  Er is lawaai. Ik wil om me heen kijken maar iemand houdt me vast.

“Is dit een droom?” vraag ik.
“Nee, je hebt een ongeluk gehad. Je bent door een vrachtauto aangereden.”

Ik probeer het me te herinneren. Dan besef ik dat ik niet weet wie ik ben. Of waar ik naartoe ging. Waar ik woon.

“Wat is er in Godsnaam gebeurd?” roep ik.

“Luister naar me,” zegt de man die me vasthoudt. “Ik wil dat je nu goed naar me luistert. Je blijft rustig, hoor je? Stil blijven liggen.”

Uit mijn ooghoek zie ik alleen de zijkant van mijn auto. Een klein stukje rood in mijn blikveld. Mijn hoofd doet zeer. Ik voel aan mijn achterhoofd. Mijn hand zit nu onder het bloed. Ik weet weer wie ik ben. Waar ik woon. Waar ik werk.

Iemand heeft mijn telefoon in handen en vraagt me wie ze moeten bellen.

“Mijn vriendin, maar die is aan het werk.” Ik weet Goddank ook weer waar en vertel het hem.

De ambulance is er. Twee mannen in uniform helpen me op een brancard. Mijn nek wordt gefixeerd. Ik kan alleen nog maar naar boven kijken.

“Mijn iPhone!” roep ik. “Waar is mijn iPhone?”

Iemand duwt hem in mijn handen. Een van de ambulance mannen wil hem weer afpakken maar ik hou hem vast alsof het mijn reddingsboei is. Het scherm is nog heel. Gek genoeg is dat een grote geruststelling. Ik laat hem niet meer los.

Een vreemde rit volgt, waarin ik probeer een gesprek aan te knopen met het ambulance personeel. Ik maak grapjes en vraag beleefd naar hun namen. Ik krijg twee naalden in mijn arm voor infusen. Ik zeg dat ik naalden vervelender vind dan dat ongeluk.

Eenmaal in het ziekenhuis word ik binnenstebuiten gekeerd. Foto’s. Hersenscan. Mijn vriendin is er gelukkig. Nu al, denk ik. Hoe laat zou het zijn?

Alle tests zijn afgerond. De hersenscans laten niets vreemds zien. Ik kan voortaan naar die onderzoeken verwijzen als mensen denken dat ik vreemd ben. “Echt niet! Ik ben getest!”

Ik moet een nacht blijven. Kan ik nog net een lekkere ziekenhuismaaltijd meemaken (“koe loe yuk” maar meer “koe loe yeuch”).

Eenmaal thuis begint het herstellen. Hersenschudding, zei de Neuroloog. Thuis komt ook de emotie pas echt los. Bij mij en mijn vriendin. Langzaam komt het besef dat het ook anders af had kunnen lopen. En tot mijn verbazing realiseer ik me dat de clichés waar zijn. Opeens zijn een heleboel dingen waar ik me druk over maakte niet belangrijk meer. En anderen juist wel.

Inmiddels ben ik een stuk beter, maar nog steeds enigszins geschud. Mijn brein is wat traag. Ik ben snel moe. Maar volgens mijn vriendin ‘voorlopig onsterfelijk’.

Hoe ik verlichting vond in de Ikea

December 15, 2009 By: Harry Category: Column

Reading time: 3 – 5 minutes

Met een groot gevoel van opluchting rijd ik in de richting van Amersfoort. Want tot mijn grote vreugde weet ik wat ik voor cadeau ik voor mijn vriendin ga kopen. Dit is belangrijk. Mijn vriendin is notoir moeilijk om een kerstgeschenk voor te vinden. Vergeleken daarbij is het zoeken naar de Higgs boson een makkie: het enige wat ze daar voor nodig hebben is een deeltjesversneller van een paar miljard.

Het is om die reden dat ik daadwerkelijk vrolijk naar de Ikea rijd. Mijn vriendin had namelijk aan mij verteld wat ze wilde: een bepaald type lamp. Joechei!

Vanaf de snelweg zie ik Ikea. Even twijfel ik over de afslag. Dat had ik beter niet kunnen doen, want plots is het duidelijk dat ik wel degelijk Amersfoort Noord had moeten nemen. Dan maar bij de volgende er af. Borden wijzen richting industrieterrein. Hoe moeilijk kan dit zijn? Ik zet mijn iPhone aan als navigatie, en deze leidt mij feilloos een doodlopende straat in.

Vragen dan maar. Vrouw met hond stuurt me de snelweg weer op. Helaas de verkeerde kant op, maar dat geeft niet. Jammer alleen dat ik pas 10 kilometer verderop kan keren. Ik accepteer dit. Ik ben een man met een missie. En die missie is jouw lamp.

Volgende afslag, keren, en deze keer wel de juiste afrit. Auto parkeren, uitstappen en de trap op.

Ik kom dus op de eerste verdieping van de Ikea aan. Dit is belangrijk. Mijn auto staat op de begane grond, ik ging een trap op, en dus is dat de eerste verdieping. Hier hangen twee grote blauwe plattegronden aan de muur. De linker toont de ‘begane grond’. De rechter de ‘eerste verdieping’. Op geen enkele plategrond staat ‘u bevindt zich hier’.

Van links naar rechts kijk ik. En om me heen. Daar is de voedsel afdeling die Zweedse hapjes verkoopt. De Zweedse hapjes staan niet op de kaart. Lampen wel. Die zijn op de begane grond. Maar daar staat mijn auto.

Het is interessant om vast te stellen wanneer het menselijk brein het opgeeft. Bij mij is dat precies het moment dat ik tegen de plattegronden begin te roepen:

“Waar zijn de lampen? Waar ben ik? Waarom staat nergens waar ik ben?”

Niemand geeft antwoord. Het kleine stukje ratio in mijn brein dat nog functioneert stelt vast dat de andere mensen om me heen niet reageren. Ze schrikken niet eens.

Ik zie een vrouw op de voedselafdeling die Zweedse peperkoek huisjes in een Zweedse stelling stapelt. Ze heeft een Ikea uniform. De nu volgende dialoog is geen kleurrijke overdrijving:

“Waar ben ik?” vraag ik haar, met een panische trilling in mijn stem.
“U bent bij de uitgang,” zegt ze verbaasd.
“U helpt me hier niet mee,” zeg ik.
“Waar wilt u dan zijn?” vraagt ze.
“Ik zoek de verlichting,” zeg ik, terwijl ik probeer niet te roepen.
“Dan moet u naar de begane grond,” zegt ze.
“Dat weet ik! Waar is dat!?”
“Dan moet u de trap op.”
“Maar dat is de tweede verdieping.”
“Nee dat is de eerste verdieping. Dit is de begane grond.”
“Waarom moet ik dan de trap op?”
“U moet gewoon de trap op en de borden volgen naar het restaurant op de eerste verdieping…”
“…die op de tweede verdieping is…”
“Nee dat is nog steeds de eerste verdieping. Van daar neemt u de trap naar beneden naar de begane grond.”
“Wat hier is?”
“Nee dit is de uitgang… De verlichting is op de begane grond. Die bereikt u via de eerste verdieping, waarvoor u de trap op moet en dan weer af.”

Ze lijkt verbijsterd dat ik dit zo ingewikkeld vind. Ik besluit maar niet meer te protesteren. Niemand heeft ooit verlichting gevonden door een metafysisch debat te voeren met een Ikea medewerkster. Ik ga dus naar boven, volg de borden, daal de trap af en bevind me op de begane grond. Die overduidelijk echt op de eerste verdieping is. En vind De Lamp. Het Cadeau.

Verlichting.

Vroem… epiloog

September 29, 2009 By: Harry Category: Kort

Reading time: < 1 minute

Na mijn avontuur op het circuit van Zandvoort kreeg ik nog een souvenir thuisgestuurd.

Geflitst op de terugweg.

66 euro boete.

Damn. De definitie van ironie.


Theme Tweaker by Unreal