Schrijversblok

Ik verzin dit niet
Subscribe

Archive for the ‘fictie’

Het Rapport

January 13, 2010 By: Harry Category: Column, Woensdag, fictie

Reading time: 2 – 3 minutes

De premier sluit de deur van zijn kantoor achter zich. Hij knipt het licht aan, en wankelt in de richting van zijn bureau. Hij laat de lege fles die hij in zijn hand heeft in de prullenbak vallen. Zweet parelt op zijn voorhoofd. Het kost hem moeite om op de been te blijven, maar weet zonder zich al te veel stoten zijn bureaustoel te bereiken. Uit de onderste la haalt hij een nieuwe fles Jack Daniels tevoorschijn. Hij neemt een teug en zit daar een paar minuten in de relatieve stilte. Dan pakt hij de telefoon.

“Hello?” klinkt het aan de andere kant van de lijn.
“Jij zei dat we vrienden waren, George…”
“Wie is dit?”
“…dat we de broeders waren… Dat we samen de wereld zouden verbeteren!”
Het blijft even stil.
“Sorry, met wie spreek ik? Tony?”
“Jan Peter,” zegt de premier. “Balkenende,” voegt hij er na nog meer stilte aan toe.
“Ah Jan Peter… Ik hoor dat het koud is in Brussel…”
“Ik zit niet in Brussel! Dat ging verdomme ook niet door!” de premier neemt nog een teug uit de fles. “Ik zit in Nederland… Help me George…”
“Helpen? Waarmee?”
“Ik heb alles gedaan wat je zei… Ik heb je geloofd…”
“Luister, Jan Peter, we hebben het goed gedaan… Jij en ik…”
“Maar…”
“We hebben die klootzak van een Sadam te grazen genomen… Dat wilden we toch?”
“Dat was nooit de…”
“Ach kom op. Toon wat ruggegraat, Jan Peter… We wisten allebei dat er geen WMDs waren… Heeft jouw geheime dienst dat niet verteld? Ik kan niet alles voor je doen…”
“Maar het ging om politieke steun… Niet om Sadam…” Er lopen nu tranen over zijn wangen.
Aan de andere kant klinkt nu gelach. Vreugdeloos gelach.
“You are kidding me,” zegt de stem.
“Wat?” zegt de premier.
“Kom op, man… Dit is politiek… Zorgen dat je je verhaal klaar hebt. We hebben allemaal ‘toegegeven’ dat we het fout hadden… Tony en ik… Nadat we hebben gedaan wat we wilden. Dat is politiek. Weet je dat dan nog steeds niet?”
“Maar…”
“Jebt dat nu toch ook gewoon gedaan? Toegegeven dat je het fout had?”
“Nee… NEE! Ik heb onze aanpak verdedigd… Die van jou en mij… Broeders waren we!”
“Dear God… Dat meen je niet… Amateur!”
Er klinkt weer gelach… Deze keer een harde buiklach…
“Ontkend… Ontkend? Hahahahahah”

De premier laat de hoorn uit zijn handen vallen. Hij trekt zijn das los en neemt nog een slok uit de fles. Hij staart wezenloos voor zich uit.

Het kerstverhaal van Knager en Ekster (2, slot)

December 26, 2009 By: Harry Category: Weekend, fictie

Reading time: 3 – 5 minutes

Dit is het vervolg op het verhaal van gisteren

Knager zag van onder de jas niet waar ze heen gingen. Na een tijdje haalde het meisje hem onder haar jas vandaan en werd hij in een houten kist gezet. Hij keek om zich heen. Hij zat gevangen!

‘We laten hem toch wel weer vrij als hij beter is he?’ vroeg het mensenmeisje.

‘Lotte, we hebben al zo weinig te eten… Dat kan toch niet?’ zei het grote mens.

‘Waarom mocht ik hem dan meenemen?’

Het grote mens zei niets en zuchtte alleen. Snel liep hij de kamer uit. Het meisje bleef nog even bij Knager en aaide hem. Eigenlijk voelde dat best prettig en het was hier ook lekker warm. Misschien zou het allemaal nog meevallen, al hoopte hij dat hij snel weg mocht om naar het grote dierenfeest te gaan. En toen ook het meisje weg was zat Knager alleen te wachten.

‘Pssst! Knager!’ riep iemand. Ekster zat op de rand van het kistje. ‘Gaat het?’

‘Alleen een zere poot. Maar het meisje is best lief. En volgens het grote mens kan ik niet blijven dus ze zullen me zo wel laten gaan.’

Ekster schudde zijn hoofd alsof hij heel dom was.

‘Oh oh oh, Knager, wat leren ze je toch op school… De mensen willen je opeten!’

‘Nee!’ riep Knager.

‘Nou en of,’ zei Ekster. ‘Je moet hier weg.’

‘Hoe dan?’ zei Knager.

‘Ik heb wel een idee. Wacht hier.’ En weg was Ekster weer.

Op dat moment kwam het grote mens de kamer weer binnen, met achter hem het meisje dat heel hard huilde.

‘Dat mag je niet doen! Dat mag niet!’ riep het meisje. Het grote mens keek naar zijn dochter en toen naar Knager.

‘Lotte, we hebben geen geld en geen eten… Wat moeten we dan eten met kerst?’

‘Ik heb liever honger!’

‘Lotte, wacht maar in de kamer. Ik moet dit doen.’ Knager zag dat de mens een groot glimmend ding met een scherpe rand zijn hand had. Het meisje ging huilend de kamer uit. De grote man kwam dichter bij. Het glanzende ding hield hij stevig vast en Knager begon te beven van angst. Hij deed zijn ogen dicht en wachtte op het einde. Maar er gebeurde niets. Hij deed zijn ogen weer open en zag dat er water uit de ogen van de mens liep. Hij snapte er niets van. Opeens werd hij opgepakt.

‘Lotte!’ riep de man.

Het meisje kwam binnen.

‘Laat hem maar weer gaan.’

Het meisje omhelsde haar vader. En voor hij het wist stond knager weer in de sneeuw. Hij was niet ver van de plek waar hij was gevangen dus kon hij de weg makkelijk weer vinden. Ekster zag hij nergens. Hij kon alleen maar weer op weg gaan en hoopte dat Ekster hem daar zou vinden.

Zo liep hij verder door de sneeuw tot hij opeens achter hem hoorde roepen.

‘Knager! Je leeft nog!’ Het was Ekster.

‘Ja, ik mocht zo maar weg!’

‘Oh? Waarom?’

‘Weet ik niet.’

‘Dan spijt het me wat ik heb gedaan,’ zei Ekster met een kleur.

‘Wat dan?’

‘Ik ben mijn zware harde glansding gaan halen, met die steen er aan. Die heb ik naar het hoofd van de mens gegooid. Toen hij over zijn bult wreef ging ik in je kistje kijken maar je was weg. Ik dacht dat je al opgegeten was. Maar ze waren kennelijk niet zo vreselijk gemeen.’

‘Nee. Dat meisje was best lief. En die grote had raar water in zijn ogen.’

De ekster moest dat even verwerken.

‘Nou, het is ook maar vreemd volk,’ zei hij. ‘Nadat ik dat glansding op zijn kop had gegooid begon die grote mens opeens te lachen en te zingen. “Een diamant! Een diamant!” riep hij. En hij zei iets over nooit meer honger hebben. Nou, ik heb het geprobeerd, maar glansdingen kan je niet eten.’

Knager knikte. Ze kwamen aan op de grote open plek waar de andere dieren al wachtten. Ze vertelden over hun avonturen terwijl ze zich tegoed deden aan beukennootjes en eikelpasteitjes en allerlei andere lekkernijen. Het was een heerlijk feest.

Het kerstverhaal van Knager en Ekster (1)

December 25, 2009 By: Harry Category: Weekend, fictie

Reading time: 3 – 4 minutes

Het nu volgende kerstverhaal heb ik jaren geleden geschreven als kort feuilleton voor een krant. Deel 2 (slot) verschijnt morgen. Vrolijk Kerstfeest!

Hij had behoorlijk grote tanden. Zelfs voor een konijn. Vandaar dat zijn vrienden en familie (hij had heel veel broertjes en zusjes) hem Knager noemden. Knager had een mooie bruine vacht met witte spikkels en was geboren in een heel comfortabel holletje onder een Eikenboom. Daar woonde hij nog steeds. Juist in de winter was het daar heerlijk warm en gezellig, en er was altijd wel bezoek dus Knager was nooit alleen.

Buiten werd het iedere dag een beetje eerder donker en Knager wist dat de Grote Dag snel zou komen. Ieder jaar ging hij samen met zijn familie en de andere bosbewoners op weg naar de open plek aan de andere kant van het woud. Daar brachten alle dieren de kortste dag van het jaar samen door en ze deelden hun eten.

De ouders van Knager waren al op weg, samen met zijn jongere broertjes en zusjes. Knager zou samen met zijn vriend, de Ekster, op weg gaan naar de plaats van het jaarlijkse feestmaal.

‘Hoe is het met jou, Ekster?’ vroeg Knager.

‘Hmmm hmmm mmm hmmm’ zei Ekster. Hij had iets in zijn mond. Het was glimmend en glanzend. Het was rond met een soort doorzichtige steen er op die zo te zien heel erg hard was. Zoals altijd had hij weer iets gevonden. Ekster had hem ooit eens zijn verzameling laten zien. Het was inmiddels al een hele berg met glansdingen. Knager had hem gevraagd waarom hij dat allemaal bij elkaar zocht. Ekster had zijn vleugels opgehaald. ‘Dat komt nog wel eens van pas.’

Ekster en Knager gingen op weg. Het had flink gesneeuwd en daardoor was het niet moeilijk om de weg naar de feestplek te vinden. De sporen van de andere dieren waren goed te zien. Knager zag vossenpootjes naast hertenvoeten en dassennagels in de sneeuw, die allemaal dezelfde kant op liepen. Ekster fladderde boven zijn hoofd en had soms moeite om het glansding in zijn mond te houden als hij probeerde te praten. Zo liepen ze het bospad af tot er iets vreselijks gebeurde.

‘Auw auw auw auw!’ riep Knager. Ekster liet van schrik bijna zijn glansding vallen en landde vlak naast het konijn.

‘Wat is er?’ vroeg de vogel bezorgd.

‘Mijn voet zit vast!’ zei Knager. Hij trok met zijn rechter achterpoot maar die zat vast in… Ja in wat eigenlijk? Een touw met een lus die steeds strakker aantrok hoe meer hij bewoog.

‘Niet bewegen!’ zei Ekster.

‘Dat kan ik ook niet!’ zei Knager die steeds meer pijn kreeg.

‘Ik haal hulp!’ Ekster vloog er vandoor.

‘Laat me niet alleen!’ riep Knager nog, maar weg was Ekster, en hij zat in zijn eentje in de sneeuw waar hij een klein beetje moest huilen.

Na een poosje hoorde Knager geluiden. Eerst dacht hij dat Ekster terug was met hulp, maar tot zijn grote schrik was het heel iemand anders. Een mens! En nog een! De eerste was lang en had zwart haar, ook onder zijn kin. De ander was kleiner. Een mensenmeisje, wist hij.

‘Oh Pap! Kijk daar! Wat zielig!’

Het mensenmeisje kwam dicht bij hem. Knager verstijfde van angst. Het grote mens kwam ook dichterbij en keek van heel dicht bij naar hem. Knager besefte dat mensen erg stonken.

‘Dat arme dier zit vast! We moeten hem helpen!’ zei het meisje.

Het grote mens knikte, maar Knager werd bang van de blik in zijn ogen. Die had hij ook wel eens gezien in de ogen van de vos, toen hij hem bijna te pakken had. Maar Knager kon niet vluchten. Hij werd opgepakt, losgemaakt en onder de jas van het meisje meegenomen.

(Wordt vervolgd…)

Dikkerd

April 12, 2008 By: Harry Category: fictie

Reading time: 7 – 12 minutes

Het was een klein bruin café in een zijstraatje waar ik normaal gesproken gewoon voorbij liep als ik boodschappen ga doen. Veel mensen binnen. Bijna alle bakrukken waren bezet, behalve een op de hoek vlak bij de deur. Ik ging zitten en wachtte tot ik oogcontact kreeg met de vrouw achter de bar. Ze had kort zwart haar en te veel blauwe oogschaduw op. Met haar gouden oorbellen en door rook verweerd gezicht zag ze er ouder uit dan ze waarschijnlijk was. Met blond haar zou ze misschien op Joke Bruis lijken. Ik bestelde een biertje en keek om me heen. Aan een tafeltje bij het raam zat een man van een jaar of veertig. Baardje, terugwijkende haarlijn, overhemd en bretels. Hij had een twinkeling in zijn ogen en praatte met twee meisjes van hooguit vijfentwintig. De ene leek aan ieder woord van hem te hangen. De ander had een glas Baileys in haar rechterhand en staarde een beetje verveeld over zijn schouder naar het raam. Mooie grijze ogen.

Aan de bar zat een magere grijze man met een smal gezicht. Smalle neus. Smalle lippen. Hij zei niets en keek naar de flessen achter de bar. Een vrouw zat naast hem en zweeg nog harder. Ze was blond geverfd en had een strak truitje aan waardoor zowel haar riante boezem als haar vetrolletjes duidelijk zichtbaar waren. Ze droeg een parelketting en had een lange broek aan die knellend om haar royale dijen en billen spande. Te veel make-up. Een boze blik in haar ogen die nadrukkelijk niet op de smalle man was gericht.

Een enorm dikke man met een rond hoofd en een klein brilletje op zijn neus kwam uit het toilet. Zijn broek moest groot genoeg zijn om het boze stel samen in te laten kamperen. Zijn gestreepte witte overhemd spande om zijn enorme buik. Het kostte hem moeite om zich tussen de tafeltjes en de mensen door naar voren te bewegen. Hij kwam op mij af.
“Dat is mijn kruk,” zei de dikkerd.
Ik keek hem aan. De man zweette. Een cliché beeld van een vetzak met rood hoofd en kleine straaltjes water die over zijn voorhoofd liepen.
“Niemand zei dat hij bezet was,” zei ik.
Normaal gesproken zou ik misschien zijn opgestaan en mijn excuses aan hebben geboden. Ik sta op voor oude dames in de bus. Ik leg altijd een krant onder mijn voeten als ik ze op de bank van de trein leg. Als de kassajuffrouw een fout maakt in mijn voordeel wijs ik haar er op. Maar niet nu. Niet vanavond.
“Ik zat daar net.”
“Nu niet meer.”

Ik en nam een slok van mijn bier. Het was doodgeslagen. Ik keek naar de flessen achter de bar en deed alsof ik de dikkerd niet meer zag. In de spiegel achter de tap zag ik dat zijn ronde emmentaler hoofd nu nog roder werd.

“Ga van die kruk af, klootzak,” zei de dikkerd. Het werd stil in de kroeg. Ergens verwachtte ik nu de muziek van ‘The Good, the Bad and the Ugly’ te horen. De bezoekers van de kroeg leken hun eigen verhalen te zijn vergeten en keken ons aan. Ook het boze stel bleek zich plots te hebben verzoend. De smalle man had zijn hand op de schouder van de geblondeerde rolmops gelegd en gezamenlijk keken ze nieuwsgierig naar mij en Dikzak.

Ik draaide me naar de dikkerd en bekeek hem van top tot teen. Zijn enorme nek was zo rood als zijn hoofd. Zijn worstachtige vingers balden zich tot vuisten.
“Nee,” zei ik.
Het ging niet meer om de kruk. Het ging niet meer om de dikkerd. Ik zag de situatie nu van buitenaf. Als mensen in de supermarkt met hun wagentje tegen mij opreden verontschuldigde ik me dat ik niet op telepathische wijze had voorzien dat ze langs mij heen wilden. Toen de man van de PTT mijn telefoon kwam repareren bood ik hem vriendelijk een kopje koffie aan hoewel hij het probleem niet kon verhelpen en uit frustratie mij de schuld van het probleem en vijftig euro voorrijkosten in de schoenen schoof.

De dikkerd keek om zich heen. Hij leek niet te kunnen bevatten dat iemand zijn bevelen zo maar naast zich neerlegde. Zijn knokkels werden wit van de spanning.
“Ga er af of ik sla je er af.”
Zou er nu iemand ingrijpen? Zou de dame achter de tap sussende woorden spreken in de trend van “Kom nou, jongens, geen ruzie in mijn bar.”
Niemand zei meer iets. De dame achter de tap stond net als de rest gewoon naar mij te kijken. Ze had toch ten minste kunnen doen alsof ze een glas aan het omspoelen was, zoals haar soort in films altijd doet.
Ik keek de dikkerd nogmaals aan.
“Jezus, wat ben jij dik,” zei ik.

Ik dronk mijn glas leeg en zette het op de bar. Daar. Ik had het gezegd. Niemand zegt dat. Iemand kan met een krop zo groot als een tweede hoofd bij de afhaalbalie van een chinees restaurant binnen komen en niemand zal iets zeggen. Of een neus die vijf minuten eerder arriveert dan zijn eigenaar. Of oren die een flinke storm kunnen keren. Ongemakkelijk zullen mensen vooral daar niet over beginnen. Tegen elkaar wisselen mensen achter de rug van de stakker blikken uit. Ze kijken geforceerd vooral niet naar de monstruositeit kijken en geven geen ‘aanstoot’. De spanning is te snijden met een bot botermes maar niemand zal zijn mond opendoen.

“Wa… wat?” zei de dikkerd.
“Jij bent ontzettend dik.” Ik zei het vriendelijk. Ik lachte er bij. Ik voelde me volmaakt ontspannen bij mijn vaststelling van een overduidelijk feit.
“Iedereen kan dat zien. Jij ook. Ik ook. Zij ook.” Ik wees op de mensen die naar ons keken. “Je bent dik. Heel erg dik.”

Dikkerd keek hulpeloos om zich heen. De toeschouwers voelden zich betrapt en keken nerveus een andere kant op. Sommigen bleven nog steeds naar me staren. De twee meisjes aan het tafeltje konden hun ogen niet van me af houden. Ze verwachtten straaks een bloedbad te zien. Hun ogen stonden hongerig. De dikkerd was de leeuw en ik de veroordeelde.
“Jij gore klootzak! Jij biedt je excuses aan of ik sla je op je bek!”
“Waarom?”
“Je zegt dat ik dik ben! Jij biedt je excuses aan of ik sla je tanden uit je muil.”
Hij kwam iets dichter naar me toe. Zijn zweet was te ruiken tussen de stank van rook en verschraald bier.

“Kom nou, Kees, doe effe rustig. Geen ruzie in mijn kroeg,” zei de vrouw achter de bar. Dus toch de sussende woorden, recht uit een slecht Hollywood script. Wat laat, maar ze werden in elk geval uitgesproken zoals dat hoort.

“Hij zegt dat ik dik ben!” riep Kees.
“Dat ben je ook,” zei ik. Ik zag zijn vuisten en wist dat een klap hard aan zou komen. Het kon me niet schelen. Ik lachte Kees vriendelijk toe.
“Klootzak!” riep Kees en hij viel naar me uit. Hij greep me bij mijn trui en had te weinig ruimte om echt een klap uit te delen. Hij schudde me door elkaar en schreeuwde in mijn gezicht. Zijn spuug spatte op mijn wangen. Warm en slijmerig droop het over mijn gezicht als het spoor van een grote naaktslak
“Bied… Je… Excuses…Aan!”

De kruk wankelde. Ik verwachtte achterover op de grond te vallen maar door de drukte om mij heen was daar geen ruimte voor. Ik duwde uit alle macht en wist Kees van me af te krijgen. Hij wankelde een stap achteruit. Kennelijk was hij al een paar biertjes verder, anders had ik hem niet zo makkelijk uit zijn evenwicht gebracht. Misschien was het slimmer geweest om op te staan en weg te gaan. Een stemmetje achter in mijn hoofd zei dat ik aardig moest zijn. Dat ik ‘sorry’ moest zeggen en een biertje voor Kees moest bestellen. Uit een ooghoek zag ik dat de bardame de telefoonhoorn op de haak hing. Ze zag dat ik dat had gezien en keek met een neutrale blik terug.

Inmiddels had Kees zijn evenwicht hervonden.
“Kees, ik snap niet waar je zo kwaad over wordt,” zei ik. Ik was op deze trein gesprongen en besloot te kijken hoe ver hij zou gaan. “Je bént toch ook ontzettend dik. Reusachtig dik. Ik geloof niet dat ik ooit iemand heb gezien die dikker is dan jij.”
De tweede aanval zag ik aankomen, maar kon hem niet ontwijken. Een vlammende pijn schoot door mijn hoofd. Het duurde een paar seconden voor ik weer helder kon zien. Kees stond daar met nog steeds zijn gebalde vuist. Hij keek triomfantelijk.
“Je bent nog steeds dik,” zei ik. Ik voelde aan mijn kin.
Kees haalde weer uit. Deze keer viel ik van de kruk af. Ik voelde het ruwe hout van de vloer dat plakkerig aanvoelde tegen mijn wang. Ik proefde bloed en spuugde op de grond. Met moeite kwam ik half overeind. Kees stond over mij heen gebogen.
“Zeg dat het je spijt!” riep hij. “Bied je excuses aan!”
Ik keek hem in zijn kleine varkensachtige bloeddoorlopen ogen. Zijn brilletje stond scheef op zijn neus.

“Je bent dik,” zei ik. Kees wilde me een trap in mijn maag geven maar bevroor toen de deur van de kroeg open ging. Twee politiemannen wrongen zich naar binnen. Ik zag dat de voorste eerst naar Kees keek en toen naar mij. Ik kwam verder overeind en ging weer op de kruk zitten. Mijn hoofd bonkte. Ik zag dat mijn bloed op mijn trui zat. Kees keek de politieagenten een voor een aan en probeerde zo te zien iets te bedenken.
“Wat is er nou weer gebeurd, Kees,” zei de eerste agent.
Een moment zei niemand iets. Toen zag ik dat Kees zich iets ophief en verontwaardigd zei:
“Deze man zegt dat ik dik ben.”
“Dat ben je ook, Kees,” zei de politieman, die hem bij zijn arm nam en mee naar buiten voerde.

Tags:

Theme Tweaker by Unreal