Dan moet ik even slikken

Als journalist die veel over games schrijft word ik regelmatig uitgenodigd voor persbijeenkomsten. Zo beland ik op een vrijdag in Best (vlak bij Eindhoven) waar een spel getiteld ‘Brothers in Arms: Hells Highway’ wordt geshowd. De PR luitjes kozen voor het oorlogsmuseum en een trip langs de plekken waar de echte operatie Market Garden is uitgevochten, om te laten zien hoe realistisch die enorme veldslag in het spel is nagebootst. Dit is op zich al een surrealistische ervaring. En dan niet om het oppervlakkige protest dat ‘oorlog geen spelletje is’. Natuurlijk niet. Maar fictie gebaseerd op oorlog is al zo oud als de mensheid. Er zijn meer uren film geschoten over WOII dan er daadwerkelijk uren in die oorlogsjaren zaten. Om nog maar te zwijgen over de enorme bergen romans. Nee, wat dat betreft mogen ze best een game maken over die tijd, en opscheppen over hun historische accuratesse.

En toch weet de geoliede PR machine van uitgever Ubisoft de game, zonder dat uiteraard te willen, geheel te trivialiseren. Want behalve een peloton nepsoldaten die in de stromende regen ‘cruciale momenten’ naspelen, is er één echte veteraan uit die tijd aanwezig. Een man van 91 jaar oud, de meest gedecoreerde officier uit de Tweede Wereldoorlog, en iemand die in 1944 als paratroeper landde bij Son Grave en meevocht richting Arnhem.

James Magellas, die de dag ervoor Afghanistan heeft bezocht om daar de troepen te bezoeken (ik herhaal: hij is 91), maakt een tussenstop in Nederland. Hij is bevriend met een van de makers van de game en is zodoende op het perscircus. En ik spreek met hem.

“Nederlanders zijn zo blij dat wij hen van de bezetting hebben bevrijd, maar ze vergeten hun eigen aandeel er in.” Magellas spreekt zacht maar duidelijk. Zijn huid is gebruind en gerimpeld, en zijn handen zitten vol levervlekken. Hij vertelt echter onder haperen en komt daardoor jonger over dan sommige dertigers die ik ken.

“Na onze landing had ik de leiding over een peloton, en we trokken op in de richting van Son. Onderweg kwamen overal mensen van het verzet tevoorschijn. Ze hadden benzine, vervoer, wapen. En allemaal wilden ze meevechten. Het duurde niet lang of ik had meer dan honderd strijders onder mijn bevel, die allemaal mee wilden doen. De Nederlanders weten dit niet. Of ze willen het niet meer weten. Of ze zijn het vergeten. Maar ze hebben zelf zo’n groot aandeel geleverd in hun eigen bevrijding. Door informatie te verzamelen en door te vechten.”

Magellas, of ‘Maggy’ zoals hij door zijn medesoldaten werd genoemd, kijkt mij aan. Er zijn wat collega’s om ons heen komen staan. Een van hen heeft een bandrecorder neergezet.

“Weet je wat een voorgevoel is?” vraagt hij. “Ik geloofde daar niet in. Ja, ik geloof in God en was altijd een goed Christen. Maar dat soort dingen vond ik bijgeloof. Tot een vriend van me naast me zat. Lijkbleek. Bevend. Doodsbang. ‘Maggy, ik ga het niet redden,’ zei hij. ‘Ik ga hier sterven vandaag.’ Ik zei dat er natuurlijk mensen dood zouden gaan, maar hij niet. Dat hij moest kalmeren en er op moest vertrouwen dat het goed kwam. En het kwam niet goed. Jaren later, na de oorlog bezocht ik de militaire begraafplaats in Nederland, waar ik stomtoevallig zijn grafsteen zag liggen. Dat was voor het eerst dat ik hem weer zag sinds dat gesprek. Hij had zijn dood aan voelen komen.”

Ik vraag hem of dat de meest intense herinnering is van die tijd.

“Wat ik nooit zal vergeten is het moment dat we de Waal overstaken. In kleine bootjes moesten we de rivier over. Aan de overkant stonden machinegeweren van de Duitsers. We waren schietschijven. Ik zal een maat van me die een kogel door het hoofd kreeg, vlak naast me. Soldaten die in de rivier dreven. Anderen die met hun helm probeerden water uit hun boot te hevelen. En alles onder dat constante vuur van de Duitsers. Dat is angst die ik nooit meer zal vergeten. Maar we kwamen aan de overkant. En we hebben die machinegeweren gestopt.”

Bij ieder woord dat hij zegt lijkt het alsof het zich gisteren heeft afgespeeld. Alsof het niet iets is wat al zestig jaar in geschiedenisboekjes staat.

Ik herinner me dat ik op een pers evenement ben van een spelletje. En hoewel de trivialiteit overdonderend is, moet ik het hem toch vragen. Wat vindt hij er van dat die gebeurtenis hier als vermaak ten toon wordt gesteld.

“Ik weet niets van videogames,” zegt hij. “Maar als jonge mensen door zo’n spel leren wat er hier gebeurd is dan is dat goed. En ik vind de gebruikte techniek indrukwekkend, maar ik snap het allemaal niet. Ik snap niets van computers. Mijn boek heb ik met de hand geschreven, daar heb ik drie jaar over gedaan. Een PC is niks voor mij.”

Lees dat boek.



Leuk? Lees dan ook deze:

3 Comments

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.