Don’t mention the war

Ik zeg altijd de verkeerde dingen. Onlangs belde ik de NS. Over een paar weken ga ik naar Parijs voor de presentatie van een grote game producent, en ik wilde weten of de aansluiting met de trein naar huis een beetje betrouwbaar is. Ik wil tenslotte niet midden in de nacht in Amsterdam stranden. De vrouw aan de lijn verzekerde me dat het allemaal wel goed zou komen. Waarop ik zei:

‘Het is dan te hopen dat Al Qaida zich die dag rustig houdt…’

Een paar seconden was het stil, en besefte ik dat ik zojuist misschien wel een terroristisch dreigement had uitgesproken. Tot mijn grote opluchting schoot ze in de lach.

Erger was het een paar weken geleden. Mijn vriendin en ik zouden op tweede Paasdag mijn moeder bezoeken. Uiteraard haalden we even bloemen. Het volgende verhaal is (helaas) waar gebeurd.

Ik loop de bloemist in. Achter de kleine toonbank staat een wat oudere man die ons vriendelijk toelacht en meteen behulpzaam is met het uitzoeken van een boeket. Dat doet hij heel vaardig, zeker gezien het overduidelijk ontbreken van zijn rechterarm. Op de een of andere manier kan hij zijn stomp nog gebruiken om mee te grijpen, en daar is hij verdraaid handig (sorry) in. In zo’n geval is de regel: niet staren, niets zegen, gewoon doen. Don’t mention the war, zoals Basil Fawlty in paniek uitroept als er Duitsers in het hotel komen.

De man kletst ondertussen gezellig met mijn vriendin, en is zo aardig om ons twee bossen voor de prijs van één te verkopen.

‘Ik heb gisteren een kleinzoon gekregen,’ vertelt hij vrolijjk.
‘Da’s leuk!’ zegt mijn vriendin.
‘Gefeliciteerd,’ zeg ik. En ik heb niet het verstand om daar te stoppen. Dat vreselijke deel van mijn brein heeft de leiding overgenomen. Zonder dat ik er controle over heb komen de volgende woorden uit mijn mond:

‘Wat leuk! Hoe maken moeder en kind het? Helemaal gezond? Tien vingers en tien teentjes en zo?’
‘Eh, ja,’ zegt de man. ‘Dat was ook het eerste waar ik toch wel naar heb gekeken.’

In eerste instantie heb ik het zelf nog niet door. Het is immers dat andere deel van mijn brein dat de woorden had uitgesproken. Maar langzaam maar zeker komt het besef (en het schaamrood) opzetten. ‘Don’t mention the war!’ roept Basil in mijn achterhoofd. ‘I mentioned it once, but I think I got away with it.’

‘Gelukkig,’ zeg ik, terwijl ik zo snel mogelijk weg wil. ‘Gezond is het belangrijkste.’
In gedachte zie ik nu Basil zijn Hitler loopje doen voor de verbijsterde Duitse gasten.

Mijn vriendin, die het of niet door heeft, of de beste pokerface allertijden trekt, rekent af en zegt gedag.

‘Dag,’ zeg ik, en zwaai. De man zwaait terug met zijn stomp. Ik probeer niet te staren. Op een haar na mis ik mijn mijn hoofd de deur die mijn vriendin net open deed. We verlaten de winkel. Basil is in mijn gedachten inmiddels weer knock-out en wordt door Manuel het hotel uit gesleept.



Leuk? Lees dan ook deze:

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.