Vergadering

De vereniging van vogelhouders heeft een bijeenkomst. Het is een bijzonder speciale bijeenkomst, want er wordt een erelid gehuldigd. Daar mag de krant niet aan ontbreken, vooral niet omdat de burgemeester persoonlijk de erepenning komt opspelden. Dat verklaart waarom ik op maandagavond in een klein zaaltje in een buitenwijk zit, in plaats van dat ik thuis op de bank kijk naar een nieuwe aflevering van CSI. Ik kijk om me heen en zie de vogelaars in hun deftigste pakken, waarvan sommigen zo slecht zitten dat ze naar alle waarschijnlijkheid sinds de bruiloft van de eigenaar geen daglicht meer hebben aanschouwd. Alle vogelaars hebben een zeer ernstige uitdrukking op hun rimpelig gezicht, want De Vergadering is zojuist begonnen. De burgemeester zit een paar stoelen van mij verwijderd, in vol ornaat met de ambtsketen om.
‘Bij deze open ik de vergadering van Vereniging de Vogelvriend, en zoals gebruikelijk beginnen we met het doornemen van de notulen van vorige week,’ zegt een man met een hamer. Hij praat langzaam en dragend, alsof hier Grote Besluiten genomen gaan worden. Er valt een haast heilige stilte. Dan staat een klein mannetje op.
‘Voorzitter, ik wilde bij deze een motie ter tafel brengen!’
De andere leden kijken geschokt. De voorzitter neemt de brutale spreker in zich op alsof deze zojuist een stille maar oh zo stinkende wind heeft gelaten.
‘Dit is buiten de orde, lid van Stechelen, zoals u maar al te goed weet.’
‘Een motie kan ten alle tijden ter tafel worden gebracht, voorzitter,’ zegt een ander, bijna identiek uitziend klein mannetje met een al even rimpelig gezicht en bijpassend slecht zittend pak. Er is rumoer in het zaaltje. De leden fluisteren met elkaar, als het publiek bij een rechtszaak in een gemiddeld Hollywood rechtbankdrama. De burgemeester blijft stoïcijns, al vermoed ik dat hij, net als ik, tot de conclusie komt dat dit nog een lange avond gaat worden.
‘Leden, mag ik u er op wijzen dat er een bepaalde orde is,’ zegt de voorzitter. ‘Kijkt u het reglement der club er maar op na. Als er verder geen…’
Maar de voorzitter kan zijn zin niet afmaken.
‘Je doet alleen zo dwars omdat die parkieten van jou zo slecht scoorden tijdens de tentoonstelling,’ roept de eerste kleine spreker.
‘En dat komt allemaal door dat rotvoer dat je mij hebt verkocht!’ barst de voorzitter nu uit, met een rood hoofd.
‘Er was niks mis met dat voer!’ roept de beschuldigde. ‘Die pietjes van jou raken alleen van slag omdat ze iedere dag met die rotkop van je worden geconfronteerd!’
‘Moet dit in de notulen?’ zegt een verwoed schrijvend mannetje dat tot dan toe driftig probeerde de gesprekken bij te houden en van inspanning het puntje van zijn tong uit had gestoken.
‘Nou en of!’ roept de rebel, wiens knalrode glanzende hoofd vloekt met zijn gekreukte roze das. ‘Rotkop! Dat schrijf je R, O, T, K,…’ Voor hij zijn taalles kan afmaken is de voorzitter over de tafel heen gedoken en heeft hij zijn tegenstander bij de strot gegrepen. Zijn buurman wordt door het strijdgewoel omver gegooid. Een kop koffie stroomt over weer een andere onschuldige omstander die begint te krijsen.
‘Mijn trouwpak! Mijn trouwpak!’ Dus toch, stel ik vast.
De burgemeester is opgestaan en kijkt met opengesperde ogen naar de vechtpartij. Ook ik kom overeind en stel mijn camera scherp.
‘Heren!’ zegt een man die tot dan toe onopvallend in een hoek zat. Hij komt met moeite overeind. Zijn rug is gebogen. Zijn haar wit als sneeuw. Zijn gezicht is bedekt met levervlekken en zijn handen trillen.
‘Heren!’ zegt hij nog eens. Iedereen valt stil. De twee vechtersbazen bevriezen. De voorzitter heeft nog steeds de kleine rebel in de houdgreep, maar beiden kijken ze nu vol schaamte naar de stokoude man.
‘Is dit nu de ware Vogelvriend gedachte?’ zegt de oude man. Er klinkt weemoed in zijn stem. Met helderblauwe ogen kijkt hij het zaaltje rond.
‘Wij, die uit liefde voor onze gevederde vrienden elke week tezamen komen? Is dit ons waardig?’
De oude vogelaar spreekt met de overtuigingskracht van een staatsman. De voorzitter laat zijn tegenstander los. Beiden komen overeind en slaan het stof van hun pakken. Ze nemen elk hun plaats weer in. De voorzitter zegt een moment niets. Nog steeds is het doodstil. Dan schraapt hij zijn keel. Hij kijkt op het papier dat voor hem ligt.
‘Tot zover de notulen, denk ik,’ zegt hij met onvaste stem.
‘Laten we overgaan tot de huldiging van ons oudste lid, Henk Krebbe.’ De stokoude man komt naar voren. De burgemeester, die nog steeds als aan de grond genageld staat, lijkt een besluit te nemen, komt in beweging en vist een penning uit zijn binnenzak. Terwijl deze wordt opgespeld buigt een ander lid zich naar me toe en fluistert me smekend in mijn oor.
‘U gaat er toch wel een mooi stukje over schrijven, voor de krant, toch?’
Ik knik.



Leuk? Lees dan ook deze:

    Geen

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.