Maandagmiddag, kwart voor vijf

Ik heb mijn tas klaar staan: boek voor in de trein, reserveboek voor als het eerste boek me gaat vervelen, een fles water voor als ik dorst krijg. Kwart voor vijf, dus nog alle tijd om rustig naar het station te wandelen. Schoenen, paraplu, sleutels. Sleutels? Oh nee! Mijn sleutels!

Niet in de kamer op tafel. Ook niet in de keuken? Onder de boodschappen? Nee, alleen mijn portemonnee. Boven misschien? Ik ren de trap op, mijn werkkamer in. Geen sleutels. Wel mijn agenda. Die was ik bijna vergeten! Meenemen en naar beneden rennen. Het is inmiddels dertien voor vijf. De eerste tekenen van lichte paniek. Verdomme! Waarom leg ik die krengen niet gewoon op een vaste plek? Ik heb er nota bene een haak voor in de muur getimmerd…. Precies hier naast de kapstok… Wat krij… Ze hangen aan de haak! Oké. Sleutels: check. Tas : check. Portemonnee… Oh (lelijk woord) waar is mijn (weer een lelijk woord) portemonnee ? Op de klok is het inmiddels negen voor vijf. Bijna het punt van het gegarandeerd missen van de trein. Iedere verdere vertraging en ik kan het vergeten. Dan herinner ik me dat ik mijn portemonnee net nog gezien heb. Boven waarschijnlijk. Trap op, niet struikelen over die trui die nu al een week wacht op een trip naar de wasmand en in blinde paniek mijn werkkamer doorzoeken. Geen portemonnee. Waar was dat (lelijk woord) ding… Keuken! Stommeling! Hij lag in de keuken! Weer de trap af, en bijna toch onderuit vanwege de trui.

De tijd: zeven minuten voor vijf.

Niet goed. Nu mag er niets mis gaan. Portemonnee in de achterzak. Sleutels: check. Tas: check. Paraplu? Laat maar. Geen tijd meer. Rennen. Ik gooi de deur achter me dicht en ren de straat door. Na vijftien meter merk ik dat rennen na een bord pasta niet goed werkt. De steken in mijn zij zorgen dat ik het moet houden op een stevig wandeltempo. Ik ben een watje, besef ik.

De hoek om, langs de IJsselkade en de brug op. In de verte doemt een schip op. Een hoog schip. Met een mast. De brug! Ik ben halverwege, vlak bij de slagbomen. De bel begint te rinkelen. Niets mee te maken. Ik ren door. De bomen zijn al aan het zakken. Even schiet door mijn hoofd dat een bijbaantje het niet waard zou moeten zijn om Indiana Jones-achtige manoeuvres uit te halen. Ik ren door, duik onder de tweede slagboom door en ben aan de andere kant. Ik kijk niet om. Voor me zie ik de trein het station van Kampen binnenrijden. Schijt aan de pasta in mijn maag. Rennen! Het stoplicht staat op rood. De auto’s staan nog stil. Rennen! Net op dat moment zet het verkeer zich in beweging. Niet denken, rennen! Ik moet nog een kaartje kopen. Ik heb geen pinpas dus ik moet de Wizzle in. Een rij. Natuurlijk een rij! De trein staat er al. Drie mensen voor me. Een verveeld kijkend meisje, een Marokkaanse man van mijn leeftijd en… oh nee: een grijze oude dame. Ik voel het: die gaat vragen stellen over abonnementen! Die wil een reisschema! Die wil de prijsstructuur weten van een trip die ze over drie weken gaat maken! Ik haat haar! Wil haar te lijf! Geen rechter zou me… Het valt mee. Ze betaald haar kaartje gepast. Wat een vrouw!

Ik ben aan de beurt.

“Zwolle zonder korting!” roep ik. De jonge verkoper lijkt niet door te hebben wat een zaak van leven of dood dit geworden is. Tergend langzaam haalt hij het wisselgeld tevoorschijn. Hij geeft me het kaartje, dan het losse geld. Muntjes kletteren op de balie en op de grond. Twijfelmoment: geld rapen of niet? Ik graai wat ik nog zie liggen van de vloer en ren het perron op, de trein in. De conducteur fluit. Gehaald.



Leuk? Lees dan ook deze:

One Comment

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.